Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0281

Datum uitspraak2008-11-04
Datum gepubliceerd2008-11-05
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers07/12813
Statusgepubliceerd


Indicatie

Art. 359a Sv. Vooropgesteld wordt (i) dat een beslissing tot toepassing van rechtsgevolg a.b.i. art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd a.d.h.v. de factoren genoemd in lid 2, (ii) dat van de verdediging die en beroep doet op schending van een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveer a.d.hv. die factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden, en (iii) dat alleen op een zodanig verweer een met redenen omklede beslissing moet worden gegeven (HR LJN AM2533. Kennelijk heeft het Hof hetgeen door en namens verdachte is aangevoerd niet als een zodanig verweer opgevat. Dat is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de raadsman slechts heeft aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen omdat het overtuigend bewijs ontbreekt voor verdachtes betrokkenheid bij het tlg. misdrijf.


Conclusie anoniem

Nr. S 07/12813 Mr Jörg Zitting 2 september 2008 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoeker bij arrest van 26 september 2006 wegens diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen veroordeeld tot tweeënveertig maanden gevangenisstraf. 2. Namens verzoeker hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie. 3. Het eerste middel klaagt erover dat het hof heeft verzuimd gemotiveerd te responderen op het door verzoeker uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat hij zijn verklaring bij politie niet in vrijheid dan wel onder dwang heeft afgelegd, terwijl het hof deze verklaring zonder nadere overweging wel voor het bewijs heeft gebezigd. 4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof op 12 september 2006, heeft verzoeker - voorzover hier van belang - het volgende verklaard omtrent zijn bij de politie op 19 oktober 2005 afgelegde verklaring: "De voorzitter zegt mij dat blijkens mijn verklaring van 19 oktober 2005 het bezoek aan Leiderdorp op 23 augustus 2005 een soort van voorverkenning was. Dat was niet mijn verklaring. Toen ik werd gearresteerd, vertelde de politie mij niet waarom. De politie vertelde mij vervolgens dat [medeverdachte 1] had verklaard hoe alles was gegaan. De tolk liet mij toen zeggen dat het bezoek op 23 augustus 2005 een voorverkenning is geweest, maar de politie liet mij niet vertellen waarom ik toen in Leiderdorp was. U houdt mij voor dat die bewuste verklaring ongeveer begint met mijn mededeling dat ik op 2 september 2005 in Spanje aan het werk was. Ik heb nooit gezegd dat ik op 2 september 2005 niet in Nederland was. Ik ben erg onder druk gezet door de politie. Ik kan een verklaring in het Nederlands niet lezen. Een van de politieagenten had een nietmachine in zijn hand en dreigde daarmee te slaan als ik niet bekende. Ik heb gezegd dat ik op 2 september 2005 wel in Nederland was, maar op 3 september 2005 naar Spanje ben vertrokken. U houdt mij voor dat ik in die verklaring ook heb gezegd [medeverdachte 1] niet te kennen. Omdat ik bang was, heb ik verklaard dat ik [medeverdachte 1] niet kende. Het klopt dat ik pas verklaard heb dat hij mij van Schiphol heeft gehaald, nadat de politie mij had verteld dat ze mij hadden gezien. De voorzitter vraagt mij of ik mij op dat moment al bedreigd voelde door de politie. De tolk zei dat hij een vriend van het slachtoffer was. Hij was er persoonlijk mee bezig. Ik heb nooit het woord Leiderdorp in de mond genomen. Ik heb wel Leiden genoemd. Mijn betrokkenheid bestond uit niets meer dan aanwezigheid. Ik heb eerst ontkend en daarna pas mijn verhaal verteld, omdat ik een hele tijd illegaal ben geweest. Ik was bang dat ik problemen kreeg als ik verklaarde dat ik erbij was betrokken, vandaar dat ik bleef ontkennen. De voorzitter zegt mij dat ik in voornoemd verhoor van 19 oktober 2005 heb verklaard dat 'wij' plannen hadden gemaakt om [benadeelde partij 2] te overvallen. Dat zijn de woorden van de politie. De vraag werd gesteld door de tolk en niet door de politie. De voorzitter zegt mij dat [medeverdachte 1] het initiatief voor het maken van het plan voor de overval, gezien de afgeluisterde telefoongesprekken, bij mij legt. In die telefoongesprekken zou sprake zijn van de vraag wie de schuld in de schoenen geschoven moest krijgen. U moet maar aan [medeverdachte 1] vragen waarom hij dat heeft verklaard. Ik blijf nog steeds bij mijn verklaring dat ik bij de overval was, maar niet mee de woning ben binnengegaan om mijzelf te beschermen. U vraagt mij waartegen ik mijzelf dan moest beschermen. Het probleem is dat ik niet weet hoe de tolk vertaald heeft. Ik ben onder druk gezet door de politie. Nu sta ik niet onder druk. Nu vertel ik de waarheid." De raadsman van verzoeker heeft daarop ter zelfde zitting - onder meer - het volgende woord tot verdediging gevoerd: "De vraag is dus of de stelling dat de verdachte het plan voor de overval heeft beraamd wel klopt. Er bestaat bij mij verwarring met betrekking tot de verschillende verklaringen van de verdachte bij de politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting.(...) Met betrekking tot het verhoor van 19 oktober 2006 bestrijdt de verdachte dat hij toen tegenover de politie heeft verklaard 'we hebben een plan gemaakt'. De verdachte is bij de scherpe ondervraging van uw hof daarover overeind gebleven.() Nu het overtuigende bewijs ontbreekt dat de verdachte het plan voor de overval heeft bedacht of dat hij wist van de overval, dient hij te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde." 5. Hetgeen door en namens verzoeker in bovengenoemde bewoordingen is verklaard, kan bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, nu ten overstaan van het hof een duidelijk, door argumenten geschraagd standpunt naar voren is gebracht dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. Daarbij wordt in het bijzonder in aanmerking genomen dat door verzoeker is aangevoerd dat: a) hem door de tolk en de politie woorden in de mond zijn gelegd; b) hij erg onder druk is gezet en zich bedreigd voelde door de politie; c) een van de politieagenten heeft gedreigd hem te slaan met een nietmachine als hij niet zou bekennen; en d) de tolk partijdig was en hem intimideerde door te zeggen dat hij een vriend van het slachtoffer was. 6. In het door en namens verzoeker uitdrukkelijk gevoerd verweer wordt dan ook geconcludeerd dat hij zijn verklaring bij politie op 19 oktober 2005 onder dwang heeft afgelegd en dat die dus onjuist is. Hoewel het hof verzoekers verweer dat zijn verklaring niet in vrijheid is afgelegd niet heeft aanvaard, heeft het - blijkens zijn bestreden arrest - verzuimd dat verweer gemotiveerd te weerleggen. Nu het hof deze door verzoeker bestreden verklaring wel voor het bewijs heeft gebezigd, maar niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid, moet dat verzuim ingevolge art. 359, tweede en achtste lid, Sv leiden tot nietigheid (HR 19 februari 2008, LJN BB6217). Het eerste middel is derhalve terecht voorgesteld. 7. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 eerste lid EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat zijn ingezonden naar de Hoge Raad en de uiteindelijke afdoening door de Hoge Raad niet binnen de de gestelde termijn zal plaatsvinden. 8. Ook dit middel is terecht voorgesteld. Op 28 september 2006 heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De stukken van het geding zijn op 17 oktober 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de door de Hoge Raad op acht maanden bepaalde inzendingstermijn (HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721) met bijna vijf maanden overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering. 9. Bovendien is een uitspraak op dit cassatieberoep op zijn vroegst in september 2008 te verwachten. Dit betekent een tijdsverloop van ten minste 24 maanden tussen het door de thans in voorlopige hechtenis verkerende verzoeker ingestelde cassatieberoep en de uitspraak daarop, terwijl de behandeling van een zaak per instantie naar het oordeel van Uw Raad binnen 16 maanden dient te zijn afgerond indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt (HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721). 10. In aanmerking genomen dat: a) in de onderhavige zaak verzoeker voorlopig gehecht is; b) de inzendtermijn door het Hof is overschreden; c) de Hoge Raad niet binnen 16 maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak op dit cassatieberoep zal doen; en, d) niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een tijdsverloop van 24 maanden zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak in cassatie niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 eerste lid EVRM. Aan verzoeker behoort daarom een lagere straf te worden opgelegd dan het hof hem heeft opgelegd, voordat sprake was van overschrijding van die termijn in de cassatiefase. Na terugwijzing zal het Hof hiermee rekening moeten houden. 11. Gronden waarop Uw Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te vernietigen heb ik niet aangetroffen. 12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot terugwijzing van de zaak teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G


Uitspraak

4 november 2008 Strafkamer nr. S 07/12813 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 september 2006, nummer 22/000538-06, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Flevoland, locatie Lelystad" te Lelystad. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2. Bewezenverklaring en bewijsvoering 2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op 2 september 2005 te Leiderdorp tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de Van Effendreef aldaar, heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit (...)." 2.2. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de verklaring die de verdachte op 19 oktober 2005 tegenover de politie heeft afgelegd, voor zover inhoudende: "Ik kan mij herinneren dat [medeverdachte 1] en ik erover spraken dat [benadeelde partij 2] veel geld heeft. In ieder geval hebben wij het plan bedacht om [benadeelde partij 2] thuis te overvallen. [Medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en ik hebben een paar dagen voor 23 augustus 2005 die plannen gemaakt. Op 23 augustus was het niet de bedoeling om de overval te plegen, maar om het huis en de omgeving te verkennen. Verder was er nog een vierde man bij die [medeverdachte 3] heet. Ook op 2 september 2005 waren wij met ons vieren. Ik ben niet in de woning geweest. Ik ben in de auto blijven wachten. Er is aangebeld waarna ze naar binnen zijn gegaan. Ik weet dat [medeverdachte 2 ] bij het uitstappen een helm uit de kofferbak pakte en deze meenam. Verder had [medeverdachte 2 ] ook een koffertje bij zich met een schroefmachine. Ik heb gezien dat [medeverdachte 2 ] deze ook uit de kofferbak pakte. In het koffertje zaten ook een paar messen. Ik had deze messen in het koffertje gezien toen wij in Amsterdam, bij het Mercatorplein, hadden verzameld." 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel klaagt dat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op het verweer dat de verdachte zijn op 19 oktober 2005 tegenover de politie afgelegde en tot het bewijs gebezigde verklaring niet in vrijheid dan wel onder dwang heeft afgelegd. 3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2006, houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - in dat aldaar is aangevoerd: a. door de verdachte: "De voorzitter zegt mij dat blijkens mijn verklaring van 19 oktober 2005 het bezoek aan Leiderdorp op 23 augustus 2005 een soort van voorverkenning was. Dat was niet mijn verklaring. Toen ik werd gearresteerd, vertelde de politie mij niet waarom. De politie vertelde mij vervolgens dat [medeverdachte 1] had verklaard hoe alles was gegaan. De tolk liet mij toen zeggen dat het bezoek op 23 augustus 2005 een voorverkenning is geweest, maar de politie liet mij niet vertellen waarom ik toen in Leiderdorp was. U houdt mij voor dat die bewuste verklaring ongeveer begint met mijn mededeling dat ik op 2 september 2005 in Spanje aan het werk was. Ik heb nooit gezegd dat ik op 2 september 2005 niet in Nederland was. Ik ben erg onder druk gezet door de politie. Ik kan een verklaring in het Nederlands niet lezen. Een van de politieagenten had een nietmachine in zijn hand en dreigde daarmee te slaan als ik niet bekende. Ik heb gezegd dat ik op 2 september 2005 wel in Nederland was, maar op 3 september 2005 naar Spanje ben vertrokken. U houdt mij voor dat ik in die verklaring ook heb gezegd [medeverdachte 1 ] niet te kennen. Omdat ik bang was, heb ik verklaard dat ik [medeverdachte 1 ] niet kende. Het klopt dat ik pas verklaard heb dat hij mij van Schiphol heeft gehaald, nadat de politie mij had verteld dat ze mij hadden gezien. De voorzitter vraagt mij of ik mij opdat moment al bedreigd voelde door de politie. De tolk zei dat hij een vriend van het slachtoffer was. Hij was ér persoonlijk mee bezig. Ik heb nooit het woord Leiderdorp in de mond genomen. Ik heb wel Leiden genoemd. Mijn betrokkenheid bestond uit niets meer dan aanwezigheid. Ik heb eerst ontkend en daarna pas mijn verhaal verteld, omdat ik een hele tijd illegaal ben geweest. Ik was bang dat ik problemen kreeg als ik verklaarde dat ik erbij was betrokken, vandaar dat ik bleef ontkennen. De voorzitter zegt mij dat ik in voornoemd verhoor van 19 oktober 2005 heb verklaard dat 'wij' plannen hadden gemaakt om [benadeelde partij 2] te overvallen. Dat zijn de woorden van de politie. De vraag werd gesteld door de tolk en niet door de politie. De voorzitter zegt mij dat [medeverdachte 1 ] het initiatief voor het maken van het plan voor de overval, gezien de afgeluisterde telefoongesprekken, bij mij legt. In die telefoongesprekken zou sprake zijn van de vraag wie de schuld in de schoenen geschoven moest krijgen. U moet maar aan [medeverdachte 1 ] vragen waarom hij dat heeft verklaard. Ik blijf nog steeds bij mijn verklaring dat ik bij de overval was, maar niet mee de woning ben binnengegaan om mijzelf te beschermen. U vraagt mij waartegen ik mijzelf dan moest beschermen. Het probleem is dàt ik niet weet hoe de tolk vertaald heeft. Ik bén onder druk gezet door de politie. Nu sta ik niet onder druk. Nu vertel ik de waarheid." b. door de raadsman van de verdachte: "De vraag is dus óf de stelling dat de verdachte het plan voor de overval heeft beraamd wel klopt. Er bestaat bij mij verwarring met betrekking tot de verschillende verklaringen van de verdachte bij de politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting. (...) Met betrekking tot het verhoor van 19 oktober 2006 bestrijdt de verdachte dat hij toen tegenover de politie heeft verklaard 'we hebben een plan gemaakt'. De verdachte is bij de scherpe ondervraging van uw hof daarover overeind gebleven.(...) Nu het overtuigende bewijs ontbreekt dat de verdachte het plan voor de overval heeft bedacht of dat hij wist van de overval, dient hij te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde." 3.3. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376, rov. 3.7 is geoordeeld (i) dat een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd, (ii) dat met het oog daarop van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van die factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden, en (iii) dat alleen op een zodanig verweer door de rechter een met redenen omklede beslissing moet worden gegeven. 3.4. Kennelijk heeft het Hof hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, niet opgevat als behelzende een verweer als hiervoor bedoeld. Dat oordeel is, gelet op hetgeen onder 3.3 is vooropgesteld, niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de raadsman - voor zover hier van belang - slechts heeft aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen omdat het overtuigend bewijs ontbreekt voor verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde misdrijf. 3.5. Het middel faalt. 4. Beoordeling van het tweede middel 4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. 4.2. De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 28 september 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 17 oktober 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering. 5. Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; vermindert deze in die zin dat deze 37 maanden beloopt; verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, de vice-president A.J.A. van Dorst en de raadsheer W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 november 2008.